Werkgeversbijdrage

Hieronder vindt u enkele artikels die betrekking hebben op de werkgevers.

In het eerste artikel worden de kosten voor de werkgevers  namelijk verlaagd, wat goed is voor de werkgevers zelf en voor de welvaart in ons land. Ik heb dan ook voor dit artikel gekozen omdat door de verlaging van de werkgeversbijdragen de kosten voor het brutoloon zakken

In het tweede artikel gaat men dieper in op de extra kosten die de werkgever krijgt die hij moet betalen aan de werknemer bij langdurige economische werkloosheid.

In het derde artikel gaat men dieper in op de mening van Voka-topman Hans Maertens. Hij vindt dat de lagere werkgeversbijdragen sneller moeten worden toegekend en dus dat de werkgevers niet met de hoge bijdragen blijven zitten. Want de loonkosten vormen het grootste probleem voor de Belgische ondernemers om de concurrentie met de buurlanden en andere concurrerende landen aan te gaan. En door de hogere BTW op elektriciteit, gaat de index omhoog wat dus zorgt voor extra kosten voor de werkgevers.

Artikel 1:

Deel brutoloon verdwijnt door verlaging werkgeversbijdragen

In een interview in De Tijd over de tax shift vertelde nieuw VOKA-topman Hans Maertens dat ondernemers een eerste zucht van opluchting slaakten. ‘Het is een goede zaak dat de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid dalen van 33 naar 25 procent’, volgens hem. Het is niet omdat het over werkgeversbijdragen gaat, dat de VOKA-topman zich zo mag uitdrukken.

Ten eerste is een behoorlijk deel van die ‘werkgeversbijdrage’ eigenlijk brutoloon van de werknemers, ten tweede is een werkgeversbijdrage in totaal een uitgestelde wedde van de werknemer en ten derde krijgen vandaag de werkgevers al enorm veel loonkostverlagingen waarmee in de privésectoren weinig tot geen tewerkstelling werd geschapen.

De drie indexsprongen uit de jaren ’80

Wanneer de werkgeversbijdragen dalen, dan vergeten de werkgeversorganisaties te zeggen dat 7,48 procent van de 33 procent werkgeversbijdrage komt van de drie indexsprongen uit de jaren 1980. In 1984, 1985 en 1986 werd telkens een indexverhoging van 2 procent overgeslagen op lonen en vervangingsinkomens.

Het hiermee overeenstemmende bedrag werd van toen af opgenomen in de ‘werkgeversbijdrage’ en door de werkgever doorgestort aan de Rijksdienst Sociale Zekerheid als loonmatigingsbijdrage. Dit is dus een stuk brutoloon dat de werknemer door de indexsprongen van de jaren 1980, en dit tot nu, niet rechtstreeks heeft ontvangen.

Om je een idee te geven wat een indexsprong van 2 procent betekent, nemen we het voorbeeld van de indexsprong die werd doorgevoerd door de huidige regering van MR, N-VA, CD&V en Open VLD.

De blokkering van de indexering van lonen en sociale bijdragen die deze regering heeft goedgekeurd, kost een werknemer gemiddeld 907 euro per jaar. Aan een startende jongere met een loopbaan van 45 jaar, zal dat totaal 40.815 euro kosten. Dit gaat dus over één indexsprong.

In de jaren 1980 heeft men dat drie keer gedaan.

Het verschil van de drie indexsprongen van de jaren 1980 met die van nu, is dat het hiermee overeenstemmende bedrag niet naar de sociale zekerheid gaat, maar volledig verdwijnt in de zakken van de werkgevers. In totaal gaat het over een bedrag van 2,6 miljard euro.

De fictie werknemersbijdrage en werkgeversbijdrage

Bepaalde woorden of begrippen zijn niet altijd neutraal en hebben eerder het doel om het denken van mensen te bezetten met een ideologische of politieke opvatting. Werkgevers- en werknemersbijdragen zijn daar een goed voorbeeld van.

Eigenlijk bestaat er geen echte ‘werkgeversbijdrage’. Werkgevers- en werknemersbijdragen maken deel uit van de totale loonkost voor de werkgever. Onder het begrip totale loonkost moet worden verstaan: nettoloon + bedrijfsvoorheffing + werknemersbijdrage + werkgeversbijdrage. De eerste drie begrippen vormen samen het brutoloon.

De ‘werkgeversbijdrage’ is een percentage boven op het brutoloon. Het deel van het globale loon dat de werkgever doorstort naar de sociale zekerheid is een uitgesteld loon van de werknemer, dat terecht komt in een sociale zekerheidskas. Bij ziekte, werkloosheid of bij pensionering wordt het vervangingsinkomen vanuit die sociale zekerheidskas betaald.

Door een onderscheid te maken tussen het begrip werkgeversbijdrage en werknemersbijdrage, geeft men de indruk dat de werkgever hier een extra inspanning levert. Wat natuurlijk niet waar is, want de werkgever rekent de totale loonkost bij de globale onkosten. Wat de werkgever doet, is de optelsom van werknemers- en werkgeversbijdrage doorstorten aan de sociale zekerheid. Ook de fiscus krijgt een deel. Zo stort de werkgever maandelijks een voorafbetaling op de belastingen die een werknemer op het einde van het jaar op zijn/haar brutoloon moet betalen. Dit wordt de bedrijfsvoorheffing genoemd. Wat dan overblijft is het netto loon.

Als werkgevers het hebben over de (te) hoge loonkost, dan hebben ze het vooral over het deel werkgeversbijdrage aan de sociale zekerheid waarop ze willen beknibbelen. Hun redenering is dat de werknemers daar toch niets van zullen voelen, want een vermindering van die werkgeversbijdrage wijzigt niets aan het brutoloon, en dus ook niet aan het netto loon dat de werknemer op zijn loonbrief ziet staan. De werkgeversbijdrage staat immers niet op de loonfiche, waardoor het lijkt alsof het geen deel uitmaakt van het loon.

Een bijkomend bewijs dat werkgeversbijdragen wel een onderdeel zijn van het totale loon, kan je ook zien in de jaarrekeningen van ondernemingen. Daar zie je dat het brutoloon (nettoloon + bedrijfsvoorheffing + werknemersbijdrage) en de werkgeversbijdrage gebundeld zijn onder de noemer ‘personeelsbezoldigingen’.

Loonkostenverlaging met weinig resultaat in de privé-sectoren

In 2014 kregen de ondernemingen 12,1 miljard euro subsidies. Dat is bijna evenveel als het bedrag aan belastingen op de ondernemingswinsten: 12,4 miljard. De subsidies aan de bedrijven zijn dus even groot als de belastingen die bedrijven betalen. De loonkostensubsidies aan de werkgevers werden telkens gegeven onder het mom van de tewerkstelling. In de privé-sectoren is daar echter tot nu toe weinig van te zien. Op 8 juli 2015 gaf eregouverneur Fons Verplaetse van de Nationale Bank, in een interview met het weekblad Knack, de cijfers:

“De dienstencheques alleen al zorgen voor 86.000 jobs, dat is de helft van het aantal nieuwe banen tussen 2007 en vandaag.”

‘Er zijn vandaag 179.000 jobs meer dan in 2007, maar dan moet je eens bekijken welke jobs dat zijn. In de industrie verdwenen 74.000 arbeidsplaatsen. In de marktdiensten, zoals handel, horeca en financiële instellingen, nam de werkgelegenheid toe met 16.000 banen. In de privé-sectoren verminderde de werkgelegenheid met 58.000 jobs. Die nieuwe banen zijn dus jobs die de overheid volledig of zwaar subsidieert: bij de overheid zelf, in het onderwijs, in de gezondheidszorg en in de maatschappelijke dienstverlening. De dienstencheques alleen al zorgen voor 86.000 jobs, dat is de helft van het aantal nieuwe banen tussen 2007 en vandaag.’

Met andere woorden, de enorme som aan loonkostenverminderingen in de privé-sectoren hebben niet geleid tot meer tewerkstelling. Neen, integendeel: tot minder tewerkstelling! Het is nu de vraag wat de regering gaat doen met de bestaande loonkostenverminderingen, nu de werkgeversbijdrage daalt van 33 naar 25 procent.

We zijn klein omdat we steeds als werknemer blijven knielen.

Laat ons opstaan, want zonder werkvolk is er geen welvaart.

Bron: http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2015/08/18/deel-brutoloon-verdwijnt-door-verlaging-werkgeversbijdragen

Artikel 2:

Responsabiliseringsbijdrage bij overbenutting van het stelsel van economische werkloosheid

In het Regeerakkoord van 1 december 2011 werd voorzien dat werkgevers uit alle sectoren een responsabiliseringsbijdrage zullen moeten betalen bij een overmatig gebruik van economische werkloosheid. Het principe werd reeds eerder vastgelegd, maar het was wachten op de formule en de parameters voor de berekening van de nieuwe bijdrage. Deze worden nu vastgelegd in de Wet houdende diverse bepalingen van 30 juli 2013 (B.S. 1/8/13).

1. Toepassingsgebied

Deze regeling geldt voor alle sectoren met uitzondering van de bouwsector. Voor deze sector bestaat er sedert 1 juli 2005 een specifieke regeling, die voorlopig behouden blijft. De mogelijkheid wordt wel voorzien om de berekeningswijze van de algemene regeling ook op de bouwsector toe te passen, doch dit dient te gebeuren bij koninklijk besluit op voorstel van het paritair comité en na advies van Nationale Arbeidsraad.

Enkel de economische werkloosheid van arbeiders en leerlingen wordt geviseerd. De bedienden blijven buiten schot.

2. Bijdrage

De jaarlijkse bijdrage is verschuldigd voor elke arbeider met meer dan 110 dagen economische werkloosheid in het vorige kalenderjaar. Per schijf van 20 dagen verhoogt het dagbedrag, als volgt :

Dagen economische werkloosheid per jaar RSZ-bijdrage per dag in euro
Tot en met 110 dagen Geen bijdrage verschuldigd
111° dag tot en met 130° dag 20 euro per dag per betrokken werknemer
131° dag tot en met 150° dag 40 euro per dag per betrokken werknemer
151° dag tot en met 170° dag 60 euro per dag per betrokken werknemer
171° dag tot en met 200° dag 80 euro per dag per betrokken werknemer
Vanaf de 201° dag en meer 100 euro per dag per betrokken werknemer

Voorbeeld:

Voor een arbeider met 160 dagen economische werkloosheid zal volgende bijdrage verschuldigd zijn: (20 euro x 20) + (40 euro x 20) + (60 x 10) = 1.800 euro.

Aangezien de bijdrage exponentieel stijgt naarmate de werkloosheidsdagen stijgen, is het aangeraden om eventueel toekomstige dagen van economische werkloosheid in de mate van het mogelijke te spreiden over de arbeiders. Op deze manier kan de extra bijdrage vermeden of zo miniem mogelijk gehouden worden.

3. Uitzonderingen

In een aantal gevallen zal de jaarlijkse bijdrage kunnen verminderd of geschrapt worden.

Vooreerst kan er aan sectoren die zich in een economische risicosituatie bevinden een tijdelijke vrijstelling worden toegekend.  Deze vrijstelling moet voorzien worden in een koninklijk besluit die aangenomen wordt op voorstel of na advies van het paritair comité. De definitie van het begrip “economische risicosituatie” en de procedure voor de toekenning van de vrijstelling dienen nog vastgelegd te worden bij koninklijk besluit.

Voorts kan er een halvering van de bijdrage toegekend worden voor ondernemingen die als zijnde in moeilijkheden werden erkend in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag. De Minister van Werk kan, na advies van de evaluatiecommissie bij de Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de FOD WASO, beslissen om de jaarlijkse bijdrage te halveren voor het jaar van de erkenning en eventueel ook voor het volgende jaar.

Tenslotte kan er in geval van uitzonderlijke economische omstandigheden een tijdelijke afwijking voorzien worden die algemeen geldt. Dit dient te gebeuren bij koninklijk besluit op voorstel of na advies van de Nationale Arbeidsraad.

4. Inwerkingtreding

Deze regeling is op 1 augustus 2013 in werking getreden zodat de bijdrage voor het eerst verschuldigd is in 2013 en dit op basis van de in 2012 aangegeven dagen economische werkloosheid. De RSZ zal de bijdrage in de loop van het najaar berekenen.

Bron: https://www.admb.be/nl/admb/nieuws/responsabiliseringsbijdrage-overbenutting-van-het-stelsel-van-economische-werkloosheid

Artikel 3:

Hans Maertens: ‘De lagere werkgeversbijdragen moeten sneller worden toegekend’

Na de taxshift zijn in deze legislatuur nog andere grote hervormingen nodig, zegt Voka-topman Hans Maertens. Dat de hogere btw op elektriciteit in de index wordt doorgerekend, vindt hij jammer, maar die maatregel kan worden gecompenseerd.

“Het akkoord over de taxshift is de belangrijkste hervorming sinds het Globaal Plan van wijlen Jean-Luc Dehaene begin jaren negentig”, zei CD&V-voorzitter Wouter Beke begin deze week. Voka-topman Hans Maertens daarentegen bestempelde de taxshift vorige maand als “een voetnoot in onze geschiedenis”. Maertens blijft bij zijn standpunt: “Ik bedoelde daarmee dat er nog veel grotere hervormingen nodig zijn. De taxshift van deze federale regering heeft wel degelijk een grote verdienste. Dat de werkgeversbijdrage wordt verlaagd van 33 naar 25 procent, is historisch.”

“Maar deze maatregelen zetten onze economie niet definitief op het juiste spoor. Ik geef een paar voorbeelden. De taxshift hervormt de personen- en de vennootschapsbelasting niet. Ja, het tarief van 30 procent in de personenbelasting valt weg, maar alle aftrekken en het ingewikkelde kluwen dat eigen is aan ons stelsel, blijven bestaan. De pensioenen worden hervormd en er wordt bespaard in de gezondheidszorg, maar er is meer nodig om de vergrijzingskosten op te vangen.”

De loonkostenhandicap die België sinds 1996 met de buurlanden heeft opgebouwd, wordt wellicht weggewerkt, maar de historische handicap van daarvoor blijft bestaan. Is dat een probleem?

HANS MAERTENS. “Gemeten vanaf 1996 is de loonkostenhandicap aan het verdwijnen. We zakken van een historische loonkostenhandicap van 11,6 naar 9,6 procent. Maar door de indexering van de btw-verhoging op elektriciteit stijgt die historische Belgische loonkostenhandicap opnieuw naar 10 procent. België kampt duidelijk met een concurrentienadeel.

“De taxshift heeft een grote verdienste, maar zet onze economie niet definitief op het juiste spoor.”

“De loonkosten blijven een groot probleem voor de ondernemers. Onze bedrijven concurreren niet alleen met Frankrijk, Nederland en Duitsland, maar ook met Oost- en Zuid-Europa en de groeilanden. Dat concurrentienadeel kun je nooit volledig wegwerken. De wet op het concurrentievermogen moet trouwens worden herzien. Daarover zal nog grondig gediscussieerd moeten worden.”

Vindt u het jammer dan de hogere btw op elektriciteit wordt doorgerekend in de index?

MAERTENS. “De lonen zullen daardoor twee tot drie maanden vroeger stijgen. Dat toont aan dat we de discussie over de automatische indexering opnieuw moeten voeren. Sinds de jaren tachtig is het stelsel regelmatig gewijzigd, bijvoorbeeld door de invoering van de gezondheidsindex. Er wordt nu een debat gevoerd over de keuze tussen een koopkrachtstijging en de versterking van het concurrentievermogen van de bedrijven. Ik zou het debat willen opentrekken: is het systeem van automatische indexering nog van deze tijd?

“Vanuit Voka zijn we niet gelukkig met de indexering van de hogere btw op elektriciteit, maar het maakt deel uit van de politieke deal. Een deel van de taxshift wordt daardoor tenietgedaan. Maar die maatregel kan voor de bedrijven worden gecompenseerd door de geplande verlaging van de werkgeversbijdragen, die gespreid tot 2020 wordt ingevoerd, sneller toe te kennen.”

Denkt u dat er deze legislatuur nog een taxshift mogelijk is?

MAERTENS. “Er moeten deze legislatuur nog een aantal discussies worden opgestart. Ik mis langetermijndenken. Iedereen spreekt van een hervorming van de personenbelasting, maar de belastingbrief wordt steeds ingewikkelder. Idem voor de vennootschapsbelasting. Oké, deze regering neemt maatregelen om de pensioenen betaalbaar te houden, maar er moeten nog verdere stappen worden gezet.

“Ook over de rol van de overheid wordt te weinig gediscussieerd. Bij het uittekenen van het beleid wordt het beste eens nagedacht hoe de regeringen kunnen inspelen op de belangrijke economische tendensen van de komende jaren.”

Welke zijn die tendensen?

MAERTENS. “Ik zie er drie. De verdere internationalisering en globalisering van de economie; de digitalisering, die verder gaat dan een vierde industriële revolutie; en nieuwe vormen van ondernemerschap, zoals het serial entrepreneurship. De overheid en sociale partners moeten nadenken hoe ze daarmee omgaan.”

Er wordt soms geklaagd over het gebrek aan een ondernemingsvriendelijk klimaat, maar er zijn toch veel Vlaamse bedrijven die op die tendensen inspelen. Ik denk aan de biotech en de 3D-sector.

MAERTENS. “Gelukkig maar. Als ik zeg dat er hervormingen nodig zijn, doe ik dat niet uit defaitisme. We moeten meer vertrouwen hebben in ons kunnen. Ik verwijs naar het Voka-onderzoek van een paar jaar geleden dat de stille kampioenen in kaart bracht. Ik zat vorige week samen met zeven bedrijven uit de textielsector. Elk van die bedrijven was in een niche marktleider. Onze onderzoeksinstellingen hebben wereldfaam.”

Zijn de nog altijd hoge Belgische loonkosten de enige bekommernis van de bedrijven?

MAERTENS. “Ondernemingen vragen een goed functionerende arbeidsmarkt. Daaraan gekoppeld zijn ze bezorgd over het tekort aan voldoende geschoold personeel. Bedrijven vinden ook niet altijd de weg naar instellingen als het IWT, het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie.”

Het IWT en het Agentschap Ondernemen smelten samen. Is dat belangrijk voor Voka?

MAERTENS. “Het is belangrijk dat bedrijven één aanspreekpunt hebben. Maar nog belangrijker is dat er een veel coherenter beleid in de maak is. Ook voor de groeibedrijven verwachten we meer en efficiëntere middelen voor opleiding en innovatie.”

Hoe kijkt u aan tegen het sociaal klimaat? Begin oktober volgt een nieuwe vakbondsbetoging.

MAERTENS. “Het sociaal overleg komt uit een turbulente periode. De kans is reëel dat het net als vorig jaar een hete herfst wordt, al verwacht ik toch dat het vakbondsprotest zal afnemen. Ik begrijp hun ongenoegen niet goed. Die taxshift is er om banen te creëren.

“De wet op het concurrentievermogen moet worden herzien.”

Hoe kunnen de vakbonden daartegen zijn? Ze moeten toch op lange termijn denken? Het sociaaleconomische beleid is zoals tuinieren: je moet snoeien, af en toe sproeien, dan kan de tuin bloeien en kun je oogsten. Zo eenvoudig is het. Maar blijkbaar is dat snoeien voor sommigen een probleem. Maar het is wel de bedoeling om een betere tuin te hebben. Anders noem ik het knoeien.”

Hoe is de relatie met de Groep van 10?

MAERTENS. “Voka zetelt niet in de Groep van 10. Dat is historisch gegroeid. Maar Voka heeft informele en structurele contacten met Unizo en VBO. Voka is lid van de raad van bestuur en het directiecomité van het VBO. Nu, het sociaal overleg van de komende decennia zal verschillen van het huidige.”

Hoe bedoelt u? Neemt het gewicht van Voka toe in het sociaal overleg, nu er met de zesde staatshervorming een aantal arbeidsmarktbevoegdheden zoals het doelgroepenbeleid worden overgeheveld naar de deelstaten?

MAERTENS. “Ik ben hier een neofiet in, al heb ik dat vroeger als journalist gevolgd. Ik merk dat het Vlaamse sociaal overleg vooral beleidsadviserend is. De Vlaamse regering vraagt adviezen aan de SERV en die komen er ook. Als men spreekt van een Vlaams sociaal akkoord, dan is dat geen cao of een pact met rechten en plichten zoals bij de Groep van 10, maar beleidsadviserend. Ik denk dat dit met de zesde staatshervorming verandert en dat we echte volwassen sociale akkoorden zullen kunnen afsluiten. Maar dan zullen alle sociale partners voor een deel moeten kunnen loskomen van hun federale afhankelijkheid.”

Wordt de concrete invulling van het doelgroepenbeleid de eerste testcase voor het nieuwe Vlaams sociaal overleg?

MAERTENS. “Dit voorjaar besloot de Vlaamse regering om de 28 doelgroepen terug te brengen tot drie: jongeren, 55-plussers en mensen met een handicap. Het ontwerp van decreet ligt klaar, maar de korting van de lastenverlaging ligt nog niet vast. Evenmin weten we al op welke lonen die maatregelen van toepassing zullen zijn.”

Hoe evalueert u het eerste jaar van de regering-Bourgois?

MAERTENS. “Het invoeren van het duaal leren is een goede zaak. Dat vangt een van onze bekommernissen op: meer en goed geschoolde jongeren afleveren voor de arbeidsmarkt. Er is nu ook een doorbraak in de omgevingsvergunning, waarbij bedrijven de bouw en de milieuvergunning kunnen combineren. Mobiliteit blijft een groot probleem: Oosterweel, de Brusselse Ring, een aantal missing links. Ik houd mijn hart vast voor het najaar en de mobiliteitsproblemen die op ons afkomen.”

Is de Vlaamse regering een investeringsregering of vooral een besparingsregering?

MAERTENS. “In Trends heeft Geert Bourgeois gezegd dat de begroting dit jaar of volgend jaar in orde krijgt, en dat de regering extra geld zal gebruiken voor investeringen. Dat is de goede aanpak. Eerst snoeien, dan groeien. Het SERV-advies dat vrijdag (morgen 3 september, nvdr) wordt goedgekeurd, gaat die richting uit. Extra budgettaire ruimte gebruiken voor investeringen is geen probleem.”

Bron: http://trends.knack.be/daily-trends/hans-maertens-de-lagere-werkgeversbijdragen-moeten-sneller-worden-toegekend/article-normal-599425.html

4 thoughts on “Werkgeversbijdrage

Comments are closed.